
'aardse' verlangens versus 'zielsverlangen'
Lezersvraag
"Wat is het verschil tussen 'aardse' verlangens en een 'zielsverlangen'?"
Naar aanleiding van deze vraag wordt beschreven hoe aardse verlangens geleidelijk kunnen worden doorzien en plaatsmaken voor een dieper zielsverlangen.
Verlangens zetten de mens in beweging: zij wekken een innerlijke zoektocht en openen de mogelijkheid om de verborgen parel te vinden. Zonder verlangen zou de mens mogelijk niet tot innerlijke beweging komen en het proces van bevrijding niet aangaan.
Aardse verlangens
Het begint met zoeken: de mens beseft dat er iets wezenlijks verloren is gegaan, of in elk geval verborgen is gebleven. Er is iets aan hem voorbijgegaan, en juist dát is het probleem: hij herinnert zich niets meer van de Goddelijke staat. De spirituele kant van de mensheid is al lange tijd in diepe slaap gevallen, waardoor wij onze eigen oorsprong niet meer kunnen herinneren. Alleen een innerlijk gemis blijft voelbaar.
Dit gemis uit zich vaak in diepe verlangens naar iets of iemand anders, zonder dat precies benoemd kan worden waarnaar men verlangt. Dagelijks is men daarmee bezig, dikwijls zonder zich daarvan bewust te zijn. In het leven nemen deze verlangens de vorm aan van 'aardse' verlangens.
Deze verlangens zijn menselijk van aard en worden gevoed door het ego, dat zich graag wil laten gelden. Kijk je naar je eigen leven, dan herken je er vast een paar. Denk bijvoorbeeld aan het doorzien van je eigen overlevingsmechanisme, zoals de behoefte om ergens invloed op uit te oefenen. Dat geeft ons een gevoel van (schijn)zekerheid en stelt ons ogenschijnlijk gerust.
Daardoor komt er innerlijke beweging op gang, die zich vaak uit in weerstand. Juist door die weerstand kan op een gegeven moment zichtbaar worden hoe de mens verstrikt is geraakt en als het ware in een innerlijke 'gevangenschap' leeft. Wanneer dit inzicht na verloop van tijd werkelijk wordt gezien en doorvoeld, merkt de mens dat zijn verlangens en zijn behoefte aan zelfbehoud vanzelf beginnen te neutraliseren.

Het verlangen naar iets of iemand buiten zichzelf verliest geleidelijk zijn kracht. Daardoor verandert ook het perspectief op het leven: wat eerst werd nagestreefd vanuit gemis of begeerte, komt langzaam tot rust. Ook de onnodige handelingen die voortkomen uit dualiteit nemen af. Wat overblijft, is een beweging naar innerlijke rust.
Er ontstaat dan een sterker verlangen naar wie men werkelijk is. Het 'jezelf volledig kennen' wordt noodzakelijk, omdat de mens eerst moet leren doorzien wie of wat hij in wezen is, vóór hij werkelijk kan beginnen met het zoeken naar en doorgronden van de Goddelijke wereld.
Voor meer achtergrond, zie de pagina over het 'ken jezelf'.
In dit proces zullen keuzes gemaakt moeten worden. Juist omdat er keuzes nodig zijn, wordt duidelijk dat verlangen een menselijke eigenschap is en geen goddelijke uitvinding.
Verlangen is geen goddelijke kracht, maar een gehechtheid (eon) die wij zelf voeden door steeds méér te willen. Als verlangen als goddelijke kracht zou worden gezien, zouden uiteindelijk ook andere menselijke eigenschappen aan God kunnen worden toegeschreven. Daarmee zouden wij Hem zelfs de schuld kunnen geven van het feit dat wij hier vastzitten.
Verlangen is dus geen goddelijk geschenk dat wij ontvangen hebben. Als goddelijke wezens in de eerste schepping hadden wij dat immers niet nodig. Daarom is verlangen een menselijke eigenschap.
Voor meer achtergrond, zie de pagina over 'De twee scheppingen'.
Juist daarin ligt ook de noodzaak om bewust een keuze te maken. Hierin verschilt verlangen van de vrije wil, die wel van Goddelijke oorsprong is maar door de mens zowel ten goede als ten kwade kan worden gebruikt.
Het verlangen waarover we nu spreken, staat los van wereldse verlangens en de vele wensen van alledag. Die zijn vaak ontelbaar en ongeremd en houden ons voortdurend bezig. Maar wat is uiteindelijk het resultaat van al dat hunkeren? Daarachter kan een dieper verlangen zichtbaar worden: het verlangen naar wie wij werkelijk, ten diepste, zijn.
Dan komt de mens op een punt waarop niet langer gezocht hoeft te worden zoals voorheen: er is gezocht tot er gevonden werd. Vanaf dan blijft er nog maar één wezenlijk doel over: de gevallen wereld ontstijgen en terugkeren naar het oorspronkelijke Koninkrijk, de eerste schepping.
De mens kent dus vele begeerten, maar slechts één verlangen blijft onder alle omstandigheden onveranderlijk: het verlangen van de ziel.

Zielsverlangen
Dit verlangen richt zich niet langer op wereldse vervulling, maar zoekt opnieuw verbinding met zijn oorsprong: een ander levensveld. Men draagt een Goddelijk verlangen in zich: de heilsbegeerte, gericht op het ontwaken en de verlossing van de ziel.
Het wordt vanuit de ziel gewekt, omdat de ziel wil ontwaken en verlost wil worden. De krachten uit dit andere levensveld beantwoorden deze hunkering van de ziel binnen een innerlijk proces. De menselijke vrije wil richt zich nu op het endura: het innerlijke proces dat doorlopen moet worden.
Voor meer achtergrond, zie de pagina over 'het endura'.
De vrije wil gaat samenwerken met het Ware Zelf.
Dat is van groot belang, omdat dan de ware wil naar voren komt: de wil die de mens tot ontwaken wil brengen. Bij elke nieuwe incarnatie wordt deze ware wil als een 'waakvlam' toegevoegd, met als doel het ontwaken mogelijk te maken. Daardoor wordt de mens in staat gesteld het Ware Zelf terug te vinden.
Voor meer achtergrond, zie de pagina over 'de ziel, het ware zelf en de ware wil'
Deze ware wil is in ieder mens aanwezig, maar komt lang niet bij iedereen even snel naar voren. Velen blijven zoeken zonder werkelijk te vinden. Het zoeken blijft dan gericht op 'aardse' verlangens, terwijl men zich vaak niet bewust is van wat er in wezen gezocht wordt.
De ware wil kan pas duidelijk naar voren komen wanneer de innerlijke 'gevangenschap' werkelijk wordt gevoeld. Dan ontstaat er van binnenuit een voortdurende aansporing, alsof de ware wil de mens richting ontwaking wil bewegen. De ziel laat zich steeds sterker gelden.
Als stoffelijke mens wordt men dan een innerlijke druk gewaar, zonder direct te weten wat er precies gaande is. Het is de ware wil die zich aandient en de wil tot ontwaken verder versterkt. De vrije wil, die eerder door het ego werd gestuurd, kan zich nu richten op deze diepere wil: de ware wil. Zij groeit als het ware bij elke incarnatie mee en speelt een steeds grotere rol in het ontwaken.
Het is dus dankzij de ware wil dat het zielsverlangen naar ontwaken werkzaam wordt.
De waakvlam kan ontbranden: de ware wil komt tot werking en opent de mens voor het ontvangen van gnostische kennis. In die zin wordt de mens als een graal:
ontvankelijk voor het ingieten van gnostische kennis.
In dit stadium is de mens innerlijk gevoed en gemotiveerd om deze weg als 'De Weg' te aanvaarden. Het volledig kennen van zichzelf wordt nu verbonden met die aanvaarding, ook al kunnen de gevolgen in deze fase nog niet volledig worden overzien. Er wordt meer verantwoordelijkheid gevraagd, en vanzelf kan de vraag opkomen of men werkelijk klaar is voor deze weg, omdat het gekende leven zal veranderen. Niet voor niets kwamen studenten die zich in vroegere tijden bij de Mysteriescholen aanmeldden, soms eerst een tijd 'op proef'.
Tot slot
Op het moment van ontwaken is het de ware wil die de mens tot ontwaking brengt. Daarna lijkt haar functie voltooid te zijn. Het is daarom aannemelijk dat de ware wil, zodra zij haar doel heeft vervuld, niet langer als afzonderlijke werking hoeft te blijven bestaan.